De Tuimelare. Een plek om lief te hebben

  Zoek op deze site met FreeFind

Tuimelare kermis

Processie. Uitsnede van De Dorpskermis. Pieter Brueghel de Jonge. Ca. 1640 (Bron: Wikimedia).
Processie. Fragment van "De Dorpskermis", Pieter Brueghel de Jonge, ca. 1640 (Bron: Wikimedia).

Beschouwingen vooraf


Het Kunkelsorgel. Haarlem, Draaiorgelmuseum (Bron: YouTube)
Om je meteen lekker onder te dompelen in de kermissfeer van weleer...

Boerenkermis met een opvoering van de klucht Een cluyte van Plaeyerwater. Peeter Balten, ca. 1570 (Bron: Wikimedia).
Boerenkermis met een opvoering van de klucht "Een cluyte van Plaeyerwater". Peeter Balten, ca. 1570
(Bron: Wikimedia).

Het woord 'kermis' blijft bij ieder van ons tot de verbeelding spreken. Het doet onwillekeurig denken aan een jaarlijks alomvattend feestgebeuren, een wonderlijke wereld van glans en glitter, van lachtende gezichten en joelende kinderen. Het herinnert ons aan allerlei vermakelijkheden zoals de "manège" (= paardjesmolen) en het vangen van de felbegeerde "truusle" (= kermiskwast) om een gratis ritje te winnen, of ook nog eendjes vissen, rondtoeren op de botsauto's, een krijtje schieten aan het schietkraam... Kermis roept onvergetelijke herinneringen op aan de vele kraampjes met een breed aanbod van lekkernijen: wafels, "boules" (= oliebollen), appelbeignets, nougatrepen, suikerspinnen, "pommes d'amour" (= appels met een jasje van rode karamel), stokvis (= gedroogde zoute wijting) als pittig tussendoortje, ideaal om te combineren met een frisse pint), noem maar op. Ter gelegenheid van de jaarlijkse kermis was het de gewoonte, van generatie op generatie, om met de familie samen te komen. Het beste eten stond op tafel. Een geliefd kermisgerecht was 'balletjes met krieken'. Als dessert stond vroeger wel eens een oud-Vlaamse 'paptaart' op het menu.

Processie bij de kerk. Pieter Brueghel de Jonge, Boerenkermis (uitsnede), 1616 (Bron: Neuss, Clemens Sels Museum).
Processie bij de kerk. Pieter Brueghel de Jonge, Boerenkermis (uitsnede), na 1616
(Bron: Neuss, Clemens Sels Museum).

We vergeten wel eens dat de kermis een lange geschiedenis kent die teruggaat tot een ver verleden, tenminste tot de middeleeuwen. En we staan er al helemaal niet bij stil dat de kermis oorspronkelijk een kerkelijk-religieuze gebeuren was. De naam zélf geeft dat al aan: "kermis" is eigenlijk een samentrekking van de woorden kerk en mis, ker(k)-mis. Vanaf de 11de-12de eeuw was de kerkmis een volksfeest op de jaarlijkse gedenkdag van de plechtige inwijding van de plaatselijke kerk of kapel. Die viering kon ook al eens plaatsvinden op het jaarlijks naamfeest van de patroonheilige van de parochiekerk of wijkkapel.

"Kermis was eeuwenlang een belangrijke gebeurtenis, ongeveer het hoogtepunt van het jaar, een collectief ritueel om reikhalzend naar uit te kijken in droevige dagen. Een uitlaatklep voor een hard bestaan." (Linda Malfait). De kermis was een ontmoetingsplaats voor elke rang en stand. Ze bracht de mensen bij elkaar en versterkte zo in niet geringe mate het gemeenschapsgevoel. "Het was een werveling van plezier die één keer per jaar de eentonigheid van het dagelijks leven in de besloten gemeenschap van het dorp verlichtte en doorbrak." (Michel Follet).

Een eeuwenoude traditie

St.-Joriskermis met de dans rond de meiboom. Pieter Brueghel de Jonge, ca. 1620 (Bron: Wikimedia)
St.-Joriskermis met dans rond de meiboom. Pieter Brueghel de Jonge, ca. 1620 (Bron: Wikimedia).

Hoe verliep een kermis? Het officiele startschot van de kermis was het uithangen van het kermisvaantje op de kerktoren. Die vlag is dan ook te zien op nagenoeg alle schilderijen van laatmiddeleeuwse Vlaamse meesters, die een kermistafereel uitbeeldden. De feestelijkheden werd 's voormiddags ingezet met een plechtige hoogmis in de kerk, met veel gezang en orgelmuziek. Die bracht veel volk op de been, want het bijwonen van de kerk-mis leverde in die tijd een volle aflaat (= kwijtschelding van alle tijdelijke straffen in het vagevuur voor bedreven zonden) op.

Na de mis was er een luisterrijke processie waarin het H. Sacrament onder een baldakijn werd rondgedragen. Heiligenbeelden en een of meer relieken genoten ook die eer. Volgens een strikte volgorde liepen de vertegenwoordigers van de kerk (priesters, religieuzen), alle burgerlijke notabelen van het dorp (de heer, de baljuw, de griffier, de burgemeester en schepenen) en leden van plaatselijke broederschappen, gilden en ambachten mee in de optocht. Daarna volgden de praalwagens, dat waren rijkelijk versierde boerenkarren, getrokken door paarden of voortgeduwd door mensen. Bovenop die wagens waren grote verplaatsbare decors gebouwd met figuranten in klederdracht voor het uitbeelden van bijbelse taferelen, vooral verhalen uit het leven van Jezus en Maria en van heiligen. Verklede groepen brachten gedichten of liederen ten gehore. Ingehuurde "speellieden" (fluitspelers, trompetblazers, trommelaars en doedelzakspelers) luisterden de stoet op met muziek. Leden van de schuttersgilden in vol ornaat , "cierlijk uitgedost met prachtigh gewaet, pluymen, helmen en harnassen" begeleidden de processie met geweer en vreugdeschoten.

De Sint-Joriskermis. Pieter Brueghel de Jonge, 1628 (Bron: Wikimedia).
De Sint-Joriskermis. Pieter Brueghel de Jonge, 1628 (Bron: Wikimedia).

De boerkens smelten van vreugd en plezier als d' oegst is binnen gereden;
zy gaen met hunne boerinnen op zwier, en zy maken zeer goeden cier.
De bezem steekt het venster uit; men danst er, men speelt er al op de fluit,
op potten, op pannen, op glazen, op kannen, op allerhande geluid,
op messen, op schuppen, op 't zoute vat, op hangel, op tangel, op dit en op dat,
op 't trommeltje rom, dom, domme, dom, dom, op keteltjes, lepeltjes: tikke, tik, tang,
en dat duert er den heelen nacht lang.

(17de eeuws volkslied, getoonzet door F. Reylof, in - J. F. Willems. Oude Vlaemsche liederen, 1848)

Na afloop van de processie volgde het profane gedeelte: een heus feest, met alles d'r op en d'r an. Het was een opwinnend gebeuren, een uitspatting van onbekommerd en onbeperkt genieten. Om te beginnen was er een uitgebreide feestmaaltijd - thuis, in de familiekring of in een herberg - waar overvloedig werd gegeten en gedronken. Dat vrolijk samenzijn ging gepaard met dans, zang, muziek, attracties, volksspelen, sportwedstrijden, e.d. Dat zorgeloos amusement ging de hele namiddag door tot in de vroege uurtjes. Waar feest was, was het kermis. Waar kermis was, was het feest.

De religieuze oorsprong is verdrongen door pretmaken

Dorpskermis ter ere van St.-Hubertus en St.-Antonius. Pieter Balten, 1562 (Bron: Wikimedia).
Dorpskermis ter ere van St.-Hubertus en St.-Antonius. Peeter Balten, 1562 (Bron: Wikimedia).

Mettertijd werd de kerkwijding, die ten grondslag lag van de kerkmis, stilletjes naar de achtergrond geduwd. Het volksvermaak haalde langzamerhand de bovenhand. Heden ten dage is er nog amper iets te merken van die religieuze oorsprong. De mensen vonden het gewoon prettiger om, één keer per jaar, rond de kerk hun kerkmis uitbundig te vieren. Wegens overmatig drankgebruik liep het feestgedruis al wel eens uit de hand: herrie schoppen, fikse ruzies, vechtpartijen, vereffening van oude vetes... Omdat de kerkviering veel volk, ook uit de naburige dorpen, op de been bracht werd in tal van dorpen tegelijk een jaarmarkt (handelsfoor) georganiseerd. Dat bood plaatselijke neringdoeners, handelaars, kooplieden en marskramers de gelegenheid om hun waren aan de man te brengen.

Het onstaan van de Tuimelare kermis

De Sint-Sebastiaanskermis in een Vlaams dorp. Jacob Savery de Oude, 1598 (Bron: Wikimedia).
De Sint-Sebastiaanskermis in een Vlaams dorp. Jacob Savery de Oude, 1598 (Bron: Wikimedia).

Eeuwenlang bestonden er, naast de 2 parochiale kermissen (verder hierover meer) ook kermissen op verscheidene gehuchten in Moorslede. Zeker al in 1601 was er op de huidige Tuimelare een wijkkermis. In de gemeenterekeningen van dat jaar staat de oudst gekende schriftelijke verwijzing ernaar:

"Betaelt an Lucas de Druyet, weert in den Thuymelaere, over t gonne tsynen huyze verteert is gheweest bij de ammants dezer prochie ten gasthuyze keermesse ende over t gonne toeghelegt is gheweest ande sweertreyders, hemelpersonnagen ghespeelt tot vercierynghe van den voorgaenden ommeganck deser prochie…" (geciteerd door Médard Van den Weghe in zijn "Geschiedenis van Moorslede - aangevulde versie ", 1894).

In 1627 werd melding gemaakt van "onze" kermis in een disrekening van de Moorsleedse Tafel van de H. Geest (Armendis). Daarin staat dat aalmoezen - in de vorm van brood - werden uitgedeeld aan de armen op de "Gasthuus Kermesse" (Médard Van den Weghe, o.c., blz. 174/ Houthaeve R., Moorslede het Lievensdorp, blz. 88-89).

In 1644 maakte een lijst van gemeentelijke belastingontvangsten eveneens gewag van de "kermesse van den gasthuyze ten Bundere". Ter gelegenheid hiervan richtten de "harquebousiers" (= schutters met vuurwapens) van de Moorsleedse St.-Hubertusgilde er een schuttersfeest in voor "de liefhebbers van het roer of geweer". Ook de schuttersgilde van Rolleghem-Capelle, die jaarlijks naar de ommegang van Moorslede kwam om er te verbroederen met de Moorsleedse gilde, kwam er de wijkkermis rond ten Bunderen animeren (Médard Van den Weghe, in zijn "Geschiedenis van Moorslede", blz. 345 - 346 en in de aangevulde versie, blz. 174).

Volgens Médard Van den Weghe (o.c., blz. 174) was er in 1653, en ook nog later in 1670, in de gemeentelijke belastingontvangsten sprake van "de kermesse van den Thuymelaere".

Maria-Tenhemelopneming. Meester van de Legende van de H. Lucia, 1485. (Washington, National Gallery of Art)
De tenhemelopneming van Maria. Meester van de Legende van de H. Lucia, 1485.
(Bron: Wikimedia Commons/Washington DC, National gallery of Art).

Volgens drie schriftelijke bronnen was er in de 17de eeuw een "Gasthuuze-kermis" in onze wijk. Maar in die periode waren de zusters van het gasthuis al tientallen jaren definitief weg van de huidige Tuimelarehoek. Ze woonden in Ieper en bleven in het bezit van de overgebleven gasthuishoeve en de landeigendommen errond, tot de Oostentijkse Tijd (1784). Wie trok er toen onze wijkkermis op gang ? In chronologische volgorde dienen zich vier mogelijkheden aan.

  1. Een eerste denkpiste is dat de kermis al bestond tijdens het verblijf van de gasthuiszusters bij ons (ca. 1269-1578) en ook door hen werd georganiseerd. Dat scenario is helemaal niet uit de lucht gegrepen. De zusters beschikten immers zeker vanaf 1330 over een eigen kapel. Bijgevolg mochten ze, volgens de kerkelijke traditie, ook hun eigen jaarlijkse kapelwijding en dus hun eigen kermis vieren. Volgens de Franse geschiedkundigen Léon Le Grand en Jean Imbert was het in de middeleeuwen gebruikelijk dat gasthuizen van de burgerlijke overheid de toelating kregen om, op de jaarlijkse feestdag van de patroonheilige, een kermis te organiseren, waarvan de opbrengst hen helemaal ten goede kwam. Indien deze veronderstelling klopt, dan had de kermis plaats op het jaarlijkst feest van de patroonheilige van het gasthuis ten Bunderen, namelijk O.-L.-V.-Tenhemelopneming op 15 augustus. Hoewel gasthuiskermissen dus wijd verspreid waren in onze streken is het niet bewezen dat de bundernonnen die bij ons effectief organiseerden. Het is best mogelijk, maar er is vooralsnog geen enkel schriftelijk bewijsstuk voorhanden.

  2. Een tweede veronderstelling is dat de kermis van het Gasthuis Ten Bunderen al bestond ten tijde van de zusters, maar dat de concrete organisatie ervan werd toevertrouwd aan een of meer buurtbewoners, hoogst waarschijnlijk aan de uitbater van de herberg den Tuimelare. Ook over deze mogelijkheid bestaat geen 100% zekerheid.

  3. Een derde hypothese is dat de kermis een initiatief was van het gasthuis, maar dat werd overgenomen door de herberg den Tuimelare, na de vlucht van de zusters voor de Beeldenstorm in 1587.

  4. Een vierde mogelijkheid is dat de jaarlijkse kermis rond het gasthuis niet uitging van de bewoonsters ervan, maar pas nadien in het leven werd geroepen door de omwonenden, met name de uitbater(s) van de Tuimelare herberg.

De datum van de Gasthuis- en Tuimelarekermis.

Twee tuimelaars. Anoniem. Ets, 17de eeuw (Bron: Londen, British Library).
Twee tuimelaars. Anoniem. Ets, 17de eeuw (Bron: Londen, British Library).

In de oudste vermelding van de Gasthuiskermis van 1601 is sprake van de kosten die moeten worden betaald aan de parochie voor de zwaardvechters en verklede personnages in de jaarlijkse ommegang van Moorslede.... op 15 augustus. En in 1644 ging de schuttersgilde van Rollegem zoals gewoonlijk naar de ommegang van Moorslede - op 15 augustus - om er te verbroederen met de plaatselijke gilde. Op diezelfde dag kwam die gilde ook naar de Tuimelare om er de wijkkermis van ten Bunderen luister bij te zetten door haar aanwezigheid.

In de 17de eeuw werd de kermis op de Tuimelare dus altijd gevierd op 15 augustus, op de hoogdag van O.-L.-V.- Tenhemelopneming, het jaarlijks patroonsfeest van de zusters van ten Bunderen. De kermis op de Tuimelare, zoals wij die nu kennen, werd daarentegen altijd gehouden tijdens het laatste weekend van april. Vanwaar die datumwisseling? Het enige historisch aanknopingspunt is de feestdag, op 30 april, van de zalige Hildegard, de derde vrouw van Karel de Grote. Ze richtte vele kloosters en kerken op en is de beschermster van de zieken. De zusters van Ten Bunderen verzorgden zieken aan huis in onze buurt. Misschien moeten we daar een historisch verband zoeken..." (Linda Malfait).

Papegaaischieten. Schutters die met (kruis)boog schieten naar een houten vogel (papegaai), bevestigd bovenop een staande wip. Andere met geweer naar een staande schietschijf op ooghoogte. Olaus Magnus. Houtsnede, 1555 (Geschiedenis van de Noordse volkeren).
Wedstrijd voor kruisboogschieten naar een houten vogel ("papegaai") bovenop een staande wip, en voor geweer-
schieten naar een staande schietschijf. Houtsnede, 1555 (Olaus Magnus. Geschiedenis van de Noordse volkeren).

Het historisch belang van schuttersgilden voor plaatselijke kermissen kan moeilijk worden overschat. Tal van kermissen zouden zelfs hun ontstaan te danken hebben aan de schuttersgilden. Deze gilden waren vaak georganiseerd als een broederschap met een beschermheilige, St.-Joris, St.-Sebastiaan of St.-Hubertus. In de hoge middeleeuwen waren schuttersgilden opgericht als een gewapende militie om dorp of stad te beschermen tegen aanvallen van buitenaf én om de openbare orde en veiligheid te handhaven. Ze waren hiermee de verre voorlopers van de hedendaagse politie, rijkswacht en burgerwacht. Door de eeuwen heen geraakte het militair aspect van de schutterij op de achtergrond. Schutters gingen meer en meer een sociale rol spelen in het stads- en dorpsleven. Ze zorgden namelijk voor spektakel tijdens kermisdagen door een schietwedstrijd naar een staande of liggende wip, bijv. op de hierboven vermelde Tuimelarekermis in 1644. De schutters waren in opvallende paradepakken gestoken, die de bewondering van de toeschouwers opwekten.

De kermissen van Moorslede

Terugkeer van de dorpskermis. Pieter Brueghel de Jonge, ca. 1607 (Bron: Wikimedia).
Terugkeer van de dorpskermis. Pieter Bruegel de Jonge, 1607 (Bron: Wikimedia).

  1. De grote kermis

    Sinds de middeleeuwen tot op vandaag bestaat er in Moorslede een kermis om de inwijding van de parochiekerk St.-Martinus te herdenken. Men zou verwachten dat deze kermis plaats vindt op 11 november, de feestdag van de patroonheilige St.-Martinus. Maar de verjaardag van een parochiekerk moest vroeger in theorie worden gevierd op de datum van de officiële inwijding van het gebouw. Zoals op tal van andere plaatsen in Vlaanderen ontstond de parochie Moorslede al in de 9de - 10de eeuw. De historische datum hiervan was voor Moorslede niet te achterhalen. Een paar eeuwen later wist men niet (meer) in welk jaar en op welke dag die stichting precies gebeurde. Men zocht dan maar naar een andere verjaardag in de buurt.

    Plechtige overbrenging van de relieken van de H. Remigius. Uitsnede van De Dorpskermis. Pieter Brueghel de Jonge. Ca. 1640 (Bron: Wikimedia).
    Plechtige overbrenging van de relieken van de H. Remigius. Miniatuur, 1619. (Bron: Wikimedia/Reims, Musée St.-Remi).

    Zo viel de keuze op de H. Remigius (ca. 437–533), de bisschop van Reims die de "Apostel der Franken" werd genoemd, omdat hij in het jaar 496 Clovis, de bekeerde koning der Franken, doopte. Bisschop Remigius overleed in 533. Zijn stoffelijk overschot werd, op 1 oktober van datzelfde jaar, in een schrijn plechtig overgebracht van zijn graf naar de toenmalige hoofdkerk van Reims. Het is op die datum van de overbrenging van de relieken (= 'translatio' in het Latijn) dat ook nu nog de kerkwijding van Moorslede telkenjare wordt herdacht. "De eigenlijke kermis van Moorslede-kerke is traditioneel vastgelegd op de zondag voorafgaand aan die verjaardag van 1 oktober, dus op de laatste zondag van september, wat niet veranderd is" (Médard Van den Weghe, op.c. blz. 169).

  2. De kleine kermis

    Het devotiebeeld van O.-L.-V.-van Loreto in de parochiekerk van Moorslede (Bron: Wikimedia).
    Het devotiebeeld van O.-L.-V.-van Loreto in de parochiekerk van Moorslede (Bron: Wikimedia).

    Al eeuwenlang is er in Moorslede halfweg augustus jaarlijks een tweede kermis. Hoe is die ontstaan? Volgens Medard Van den Weghe (Het broederschap van O.-L.-Vrouw van Loretten. Den ommeganck van Moorslede, in - Biekorf, jg. 32 (1926), nr. 1, pp. 2-11) trokken de toenmalige heer van Moorslede en zijn vrouw in 1625 op bedevaart naar het Italiaanse pelgrimsoord Loreto. Ze brachten een Zwart Madonnabeeld mee als souvenir en lieten het plaatsen op het zijaltaar, links vooraan in de parochiekerk. Nog in datzelfde jaar werd een "Broederschap van O.-L.-V.-van Loreto" opgericht die voortaan jaarlijks een "Moorsleedschen Ommegang" organiseerde, en wel op het hoogfeest van de Tenhemelopneming van Maria, op 15 augustus.

    Aanvankelijk ging het om een processie doorheen het dorp, waarbij op bepaalde plaatsen werd halt gehouden om te bidden. Al gauw groeide die processie uit tot een kleurrijke optocht. De vele mensen uit de omgeving, die op beeweg kwamen naar het genadebeeld van O.-L.-Vrouw van Loreto in de kerk, stapten mee op. De plaatselijke St.-Hubertusgilde van de kruisboogschutters nam er aan deel en ook de "ghildebroeders van harquebousiers" (= schutters met vuurwapen) van Rollegem waren van de partij. Het geheel werd muzikaal opgeluisterd door koorzangers uit Rollegem en door 'speellieden'/ (= muzikanten) van Moorslede, Roeselare, Menen, Kortrijk en Ieper. En de "luyders van Inghelmunster" kwamen naar hier om de kerkklokken te luiden.

    De zomerkermis nu op de markt van Moorslede (Bron: gemeentehuis Moorslede - moorslede.be).
    De augustuskermis nu op de markt van Moorslede (Bron: gemeentehuis Moorslede/moorslede.be).

    Na de ommegang volgde het "schinken en klinken". Een heuse kermis met allerlei attracties en natuurlijk veel smullen en drinken en ... zich te pletter amuseren. De Moorsleedse ommegang trok in 2de helft van de 17de eeuw veel volk. Maar vanaf 1700 ging het bergaf met de broederschap en kwijnde de ommegang weg. Jan Felicius de Carnin, de heer van Moorslede, had in 1693 zijn heerlijkheid verkocht aan heer van Dadizele, Ferdinand de Croix. Deze laatste was meer bekommerd om de ommegang van O.-L.-Vrouw van Dadizele, dan om die van Loreto! Toch is de ommegang van toen tot op vandaag blijven voortbestaan als 'de kleine kermis' of 'augustuskermis' rond de hoogdag van O.-L.-V.-Tenhemelopneming, met als afsluiter een parochianenkoers voorbehouden voor inwoners van Groot-Moorslede.

Een wijkkermis in de 17de eeuw

Vertrek met de boerenwagen naar het feest. Pieter Brueghel de Jonge, ca. 1630 (Bron: Wikimedia).
Vertrek met de boerenwagen naar het feest. Pieter Brueghel de Jonge, ca. 1630 (Bron: Wikimedia).

We hebben spontaan de neiging om een wijkkermis van vroeger, zoals die op de Tuimelare, te vergelijken met een dorpskermis, of zelfs met een hedendaagse stedelijke ommegang, jaarmarkt of foor. Dat zijn echte attractieparken die heden ten dage een breed spectrum aanbieden van vermakelijkheden zoals een reuzenrad, een spiegelpaleis, een spookhuis, een zweefmolen, een schiettent, een rupsbaan ("piepermanège" genoemd), botsauto's, een circus en gokspelen, bijv. automaten met hijskraantjes.

Dorpskermis. Pieter Brueghel de Oude, ca. 1568 (Bron: Wikimedia/Wenen, Kunsthistorisches Museum).
Dorpskermis. Pieter Brueghel de Oude, ca. 1568 (Bron: Wikimedia/Wenen, Kunsthistorisches Museum).

Niets van dat alles trof men aan op een wijkkermis. Per definitie ging het er véél kleinschaliger aan toe, alleen al omdat men slechts beschikte over bescheiden (financiële) middelen, technische mogelijkheden, infrastructuur en mankracht. Deze waren allerminst te vergelijken met die van nu. Wat niet belette dat jong en oud, mannen en vrouwen uit de bol gingen, overvloedig aten en dronken en uitgelaten dansten en zongen. Wat trof men zoal aan als volksvermaak op een wijkkermis in de 17de eeuw? Voor de Tuimelare is er weinig of geen schriftelijk bronnenmateriaal. Om te weten hoe het er toen aan toe ging moeten we gaan kijken naar de kermistaferelen van Vlaamse schilders uit die tijd, zoals Pieter Brueghel de Oude en de Jonge, de gebroeders David en Abraham Teniers, Abel Grimmer, Peeter Balten, Adriaen van Ostade, e.a. Enkele voorbeelden ervan kan u terugvinden op deze webpagina.

Een nar met zijn zotskolf (= narrenstaf). David Teniers de Jonge. Ca. 1640 (Bron: Wikimedia/Moskou, Poesjkinmuseum).
Een nar met zijn zotskolf (= narrenstaf). David Teniers de Jonge. Ca. 1640 (Bron: Wikimedia).

Wie waren de mensen die voor attracties en animatie zorgden op de kermis? Omdat de Tuimelare langs een drukke middeleeuwse reisweg lag mogen we er rustig van uitgaan dat artiesten die van dorp tot dorp en van herberg tot herberg rondtrokken, zoals muzikanten, (koord)dansers, goochelaars, krachtpatsers, acrobaten of jongleurs (= tuimelaars) hier bij ons neerstreken om op te treden en hun kunsten te laten zien. Zo kwam de herberg "de Tuymelaere" wellicht aan haar naam...

Dansen op muziek van de doedelzak. Miniatuur uit een Frans getijdenboek, omstreeks het jaar 1500.
Dansen op muziek van de doedelzak. Miniatuur uit een Frans getijdenboek, omstreeks het jaar 1500.

Langs de straat stonden liedjeszangers opgesteld. Muzikanten zorgden met hun vedel, doedelzak of trommel voor een opgewekte kermissfeer. Kermisgekken (narren) die allerlei grappen uithaalden, mochten niet ontbreken. En al evenmin kraampjes met de nodige snuisterijen en snoepgoed. Een waarzegger (met glazen bol of tarot-kaarten) of een wonderdoktoor" (= een kwakzalver die middeltjes aanprees die zogenaamd overal goed voor waren) waren eveneens welkome gasten. Het is de vraag of er op de wijk straattheater was of poppenspel. We hebben er eveneens het raden naar of er kunsten met dieren, zoals honden en aapjes, werden opgevoerd .

Adriaen Brouwer. Kaartspelers in de herberg. Adriaen Brouwer, 1ste helft 17de eeuw (Bron: Wikimedia)
Adriaen Brouwer. Kaartspelers in de herberg. Adriaen Brouwer, 1ste helft 17de eeuw (Bron: Wikimedia)

De kermisgangers bezochten de herberg om te eten, te drinken, te zingen, te dansen en mensen te ontmoeten. Ze konden er zich ontspannen met bordspellen zoals triktrak (= backgammon), dammen en schaken. Het dobbelspel (teerlingwerpen) was erg populair, hoewel het streng verboden was en zware geldstraffen dreigden. Maar op het platteland was de controle van de overheid hierop alles behalve waterdicht. In de loop der jaren werden allerlei kaartspelen het meest geliefde tijdverdrijf in de herberg.

De eierdans. Pieter Brueghel de Jonge, ca. 1620 (Bron: Wikimedia).
Een populair middeleeuws spel met Pasen: de eierdans. Pieter Brueghel de Jonge, ca. 1620 (Bron: Wikimedia).

Ter gelegenheid van een dorps- of wijkkermis was er ook een rijk aanbod van spelen in openlucht. Spelen zijn nu eenmaal relatief goedkoop en het succes ervan was verzekerd! Om te beginnen het boogschieten, met de liggende of staande wip.

Een wedstrijd steenslingeren. Diebold Schilling de Jonge, 1513.
Een wedstrijd steenslingeren. Diebold Schilling de Jonge, 1513.

Mannen konden hun fysieke kracht en precisie eveneens tonen bij een wedstrijd worstelen, touwtrekken of klootschieten (= een steen, stuk boomstam of verzwaarde bal zo ver mogelijk gooien. Dit is de voorloper van de huidige atletiekdisciplines van het kogelstoten en hamerslingeren.

David Teniers de Jonge. Landschap met kegelaars, 1645  (Bron: Wikimedia).
Landschap met kegelaars. David Teniers de Jonge, 1645 (Bron: Wikimedia).

Allerlei bolspelen waren erg in trek, o.m. het kaatsen en het kegelen. Hiernaast waren er behendigheidsspelen zoals mastbeklimming, waarbij de deelnemers op een gladgemaakte paal klouterden om helemaal bovenaan een prijs af te rukken. Of ook nog de eierdans, waarbij men met de voet een ei uit een kom moest rollen en vervolgens die kom over het ei heen moest kantelen zonder het ei te breken.

De ruiterwedstrijd gansrijden. David Vinckboons, Dorpskermis (uitsnede), ca. 1610. Bron: Publiek domein.
De ruiterwedstrijd gansrijden. David Vinckboons, Dorpskermis (detail), ca. 1610 (Bron: Publiek domein).

Er waren ook zogeheten kwelspelen, die we nu als vormen van dierenmishandeling beschouwen. Bijv. het gansrijden, waarbij ruiters - te paard en in volle galop - probeerden de kop van een opgehangen vogel los te trekken. Hanengevechten of ook gevechten van honden waren publiekstrekkers. En dan was er nog het zogeheten katknuppelen, waarbij men stokken gooide naar een ton waarin een kat was gestopt, tot de ton in duigen viel.

De kinderen vermaakten zich op de kermis met eenvoudig speelgoed en met behendigheidsspelen zoals tollen (= een houten tol met een zweepje aandrijven), hoepelen (= met een stok een hoepel voortbewegen), knikkeren met steentjes of noten, hinkelen, touwtje springen, tikkertje spelen, zaklopen en, niet te vergeten, "pekkelen" (= bikkelen) een vaardigheidsspel met bikkels vervaardigd uit schapenknokkels.

De 18de en 19de eeuw

Kolfspelers. Jan Luyken, Ets, 1712(Bron: Amsterdam, Rijksmuseum).
Kolfspelers. Jan Luyken, ets, 1712 (Bron: Amsterdam, Rijksmuseum).

In de 18de en 19de eeuw bleven allerlei vormen van volksvermaak voortbestaan. Om te beginnen enkele populaire gezelschapsspelletjes binnen in de plaatselijke herberg (de Tuimelare) zoals dammen, tricktrac (= backgammon), domino, dobbelen, vogelpik, sjoelbak, biljarten en prijskaartingen. In en rond de herberg werd gedanst en gezongen, met een accordeonist die vrolijke deuntjes speelt op zijn trekzak. Op het Vlaamse platteland beoefende men op straat bij uitstek enkele traditionele bolspelen. Hoewel ze allemaal draaiden om het werpen of rollen van een bol, verschilden ze sterk in de vorm van het speelveld, het doel van het spel en het gebruikte materiaal. Op laatmiddeleeuwse schilderijen en tekeningen kan men zien hoe al deze bolspelen toen werden beoefend.

  • Trabol, ook krulbollen genoemd. Het werd gespeeld met houten cilindrische schijven op een bolletra, een lange holle houten of betonnen baan, meestal achteraan de herberg. Bij trabol probeerde men, via een ca. 18 meter lange bolbaan, de schijfvormige bol zo dicht mogelijk bij "de stake" (= metalen plaatje of stok) te rollen. Omdat de bol niet perfect rond was volgde die een gekrulde (= gebogen) baan op de bolletra. Vooral in West-Vlaanderen maakte trabol opgang als behendigheidsspel in lokale herbergen.
  • Sollen, ook bollewerpen of stootbal genoemd, waarbij een bal werd weggeslagen met een slaghout dat heel sterk leek op een moderne hockey- of cricketbat.
  • Gaaibollen, een mix van krulbollen en kegelen. Men rolde een zware schijfvormige bol, over een 12 à 15 meter lange baan van aarde of hout, om zoveel mogelijk van de 9 "gaaien" (= klossen, pinnen) omver te werpen of de bol zo dicht mogelijk bij de middelste gaai te krijgen.
  • Kolfspel, waarbij de deelnemers een bal door middel van een kolf (= stok) naar een bepaald doel sloegen. Dit was de voorvader van het huidige golfspel.
  • Jeu de boules, nu nog de volkssport nr 1 in Frankrijk. De meest gespeelde variant ervan is de petanque uit de Provence. Er was geen speciaal aangelegd speelveld voor nodig, men kon deze sport overal beoefenen. Elke speler beschikt over 2 metalen ballen (met een doorsnede van 7 tot 8 cm, en een gewicht van ca. 700 gr). De eerste speler gooit de "cochonnet" (= klein houten doelballetje). De deelnemer die de bal het dichtst bij die cochonnet wierp of schoot won het spelletje.

Wedstrijd boogschieten naar een staande wip. Liebig verzamelprentje, 1939.
Wedstrijd boogschieten naar een staande wip. Liebig verzamelprentje, 1939.

Populair bleef het toernooi van de plaatselijke schuttersgilde, waarbij werd geschoten met geweer of kruisboog naar een schietschijf ofwel naar een staande wip (gaaipers), opgesteld in de tuin of wei achter een herberg. Er waren ook hanengevechten (in den duik!), hier en daar vervangen door hanenzettingen, in Beitem bijv. door "De Statiekraaiers, de Paradijshaan en de "Meikraaiers". Hiermee verwant waren de vinkenzettingen, die vanaf de 19de eeuw in West-Vlaanderen zeer populair werden. Al even geliefd was de duivensport. Ter gelegenheid van de kermis namen de "duivenmelkers" (= duivenliefhebbers) van de wijk met hun "blauwe geschelpte" deel aan speciale prijsvluchten.

De baarloop

Baarloop is een synoniem voor herbergkermis (Bron: L. L. De Bo. Westvlaamsch Idioticon, 1873).
Baarloop stond in de 19de eeuw gelijk met herbergkermis (Bron: L. L. De Bo. Westvlaamsch Idioticon, 1873, blz. 70).

Een zeer gegeerd onderdeel van een kermis was - zelfs al in de middeleeuwen - de baarloop, een competitie in snellopen. Daarbij lag de klemtoon bij ons niet zozeer op de atletische prestatie, zoals bij de Grieken op de Olympische Spelen. De baarloop was meer gericht op spektakel en volksvermaak, "brood en spelen" in het verlengde van de spelen van de Romeinen in het circus Maximus. Waar komt de naam baarlopen vandaan? Wellicht was die afkomstig van het middelnederlandse "bare" (= slagboom, balk, balie, barriere). Baarlopen was in die betekenis "te bare lopen" (G. Gezelle en De Bo), een volksspel waarbij de deelnemers, op een strook binnen een afgebakende omheining, om ter snelst naar de "bare" (=eindmeet) renden.

In 1563 al bestond er in Moorslede een baarspelersgenootschap (Medard Van den Weghe, op. cit., 2de ed., blz. 346). In dat jaar richtte "mynen heere van Moorslede" een groot baarlooptoernooi in, waaraan men van ver en van nabij kwam deelnemen. De baarspelers van Roeselare behaalden er alle prijzen die te winnen waren "jeghens alle de steden ende dorpen die ghecommen zyn" (Désiré Denys, Het Roeselaarse Volksleven, 1955, blz. 212).

Naarmate de tijd vorderde verdween de eigenlijke wedloop. De naam baarloop bleef behouden, dat wel. In de loop van de 19de eeuw ging de eeuwenoude baarloop geruisloos over in de jaarlijkse wijkkermissen in West-Vlaanderen, met name in de omgeving van Roeselare en Tielt. Deze wijkkermissen werden veelal ingericht door de plaatselijke herberg. Het is niet verwonderlijk dat de priester en taalkundige Leonard-Lodewijk De Bo het woord 'baarloop' gewoon gelijkstelde met 'herbergkermis' in zijn Westvlaamsch Idioticon (Brugge, 1826, blz. 70) .

Politiereglement voor de baarloopherbergen. Aanplakbrief. Oekene, 1876.
Politiereglement voor baarloopherbergen. Aanplakbrief. Oekene, 1876 (Bron: Antoon de
Weerdt, Baarlopen te Oekene in 1897, in - Rollarius, 1996, jg. 25, nr. 5, pp. 159-161).

Baarloop was dus een kermis, ingericht door een plaatselijke herbergier om klandizie aan te trekken. Hoe doe je dat? In de eerste plaats met spelen naturlijk, die relatief goedkoop waren en niettemin succes verzekerden. Naast de bestaande snelheidskoers, ook strateloop genoemd, bestonden er allerlei ludieke varianten die de amusementswaarde van de baarloop nog verhoogden, zoals een afvallingskoers, een hindernissenkoers, een valiezenkoers, een kortewagenkoers e.d. In onze contreien was een baarloop een volksfeest met specifieke rituelen en spelregels. Het gemeentebestuur maakte, telkens voor een heel jaar, de lijst bekend van de deelnemende herbergen. Deze kregen elk twee baarlopen per jaar toegewezen. Alles werd zodanig verdeeld - in een beurtrolsysteem - dat nooit twee herbergen tegelijk op éénzelfde datum hun "herbergfeest" (baarloop of saucissenkermis) konden houden. Deze lijst werd op een goed zichtbare plaats van de herbergen aangeplakt.

Uit 1821 is een tekst bewaard gebleven met de gemeentelijke reglementering op baarlopen en krakebollingen in Rumbeke (Bron: Antoon Deweerdt; Raoul Boucquey. Reglementering op 'baerloopen' en 'kraekebollingen' te Rumbeke, 1821, in - Rollarius, 2004, nr. 1, pp. 25-29). De heemkundige Jozef Delbaere meldt dat in 1878 maar liefst 56 Rumbeekse herbergen deelnamen aan de beurtrol voor baarlopen en saucissenkermissen over het hele jaar. Daarvan waren er 8 in het naburig dorp Beitem (Bron: Jozef Delbaere. Baarlopen en sauccissenkermissen te Rumbeke, in: - Ons Heem, 26 (1972, nr 6, pp. 262-276):

  • Het Gemeentehuis (tegenover de Kerkhofstraat);
  • Beythem (juist voor de kerk, later Oud Beitem); overdekte bolletra achter de beenhouwerij en café van Norbert Seye.
  • Den Hert;
  • De Meerlaen (gaf zijn naam aan het gehucht errond), met een overdekte bolletra;
  • Het Paradijs (langs de Meensesteenweg, ergens tussen de Mgr Catrystraat en de Kerkhofstraat);
  • Sint Sebastiaan (recht tegenover de kerk);
  • 't Hof van Commerce (waar nu de parking van beenhouwerij Terryn is). Met een bolletra in openlucht. Enkel in de zomerperiode;
  • Bakkerij Oud Beythem. De baarlopen waren er in 1878 vastgelegd op de volgende data: 5de zondag van april, mei, juni of juli; de saucissenkermis had plaats op de 4de zondag van november.
Als er 8 baarlopen waren in Beitem, waarom zou er dan geen enkele zijn geweest vlak over de grens met de gemeente Moorslede? Het is vrijwel zeker dat die ook bestonden bij ons, rond de herberg de Tuimelare en elders in de gemeente Moorslede. Alleen hebben veel gemeentearchieven de vernielingen van de Eerste Wereldoorlog niet overleefd om ons hierover uitsluitsel te geven.

Een herbergkermis verliep volgens een vrij vast patroon. "De zondag is de dag van welverdiende rust. Eertijds trok de gezeten burger dan naar de 'baarloop' in een of andere herberg, waar de 'baarlooptak' boven de deur werd uitgestoken en waar hij, met bol en kaart, een ' baarkoeke' kon verdienen, terwijl de andere bezoekers er worsten en hesp op bruin boerebrood, of een snede hoofvlees met mostaard en een schuimend glas bier konden gebruiken."(Désiré Denys. Het Roeselaarse volksleven. 1955, blz. 202)

  1. De aankondiging.
    Na de zondagmis werd afgeroepen in welke herberg er die dag baarloop was: "zondag (aanstaande) is het baarloop in de herberg...." De herbergier kondigde de baarloop aan door het uitsteken boven de herbergdeur van een vaandel of van een "baarlooptak" (= een grote groene tak) ook "de mei" (= overblijfsel van de vroegere meiboom) genoemd.

    Het krulbolspel. Eugène Laermans, 1923 (Bron: Wikimedia Commons).
    Het krulbolspel. Eugène Laermans, 1923 (Bron: Wikimedia Commons).

  2. 's Namiddags, na de vespers stroomde het volk samen bij de herberg waar er baarloop was om er te eten, te drinken en zich te amuseren. De kern van de baarloop was een wedstrijd trabol (krulbollen). Als prijs werd een "krake" (= koekebrood) ook "baarkoek" genoemd, geschonken aan de winnaars van het bolspel. Vandaar dat men ook sprak van een "krake-bolling".

  3. Om klanten aan te trekken naar zijn gelagzaal zorgde de herbergier voor een toch wel speciale versnapering: "pintjedek"! Traditiegetrouw dekte hij elke pint die hij tapte gratis toe met een snede boerebrood en "een schelle hespe". Baarloop heette men soms ook saucissenkermis. Bij die gelegenheid gaf de waard aan de klanten bij elke drankje een boterham met een worst.

20ste eeuw: stratekoersen verdringen de baarloop

De in 1817 uitgevonden vélo (afkorting van vélocipède) was lange tijd een luxeproduct, een duur statussymbool voor een elite die er de tijd en het geld voor had. Maar door een gevoelige daling van de prijs en door allerlei technische verfijningen brak het rijwiel vanaf het begin van de 20ste eeuw geleidelijk door als een veiliger, sneller en comfortabeler vervoermiddel bij een breder publiek. Niet enkel de gegoede burgerij had nu een fiets, ook de middenklassers en zelfs de boeren en arbeiders konden zich steeds vaker een exemplaar veroorloven.

Zo kwam al vrij vlug een nieuwe vorm van volkssport in de mode: de wielersport. De traditionele baarloop geraakte in de verdrukking. De koers kreeg een vaste plek als attractie op het jaarlijkse kermisprogramma van zowat elk dorp of gehucht, vooral in West-Vlaanderen. Er groeiden allerhande ludieke gekke "velospelen met gezellige veloleute" zoals eierkoers, ringsteking, afvallingskoers, hindernissenkoers, kortewagenkoers, pijpenkoers (= winnaar was degene die eerst de finish haalde met een nog brandende pijp in de mond), valiezenkoers (waarbij in de valies van elke deelnemer een vrouwenkledingstuk zat dat de deelnemende mannen - tot groot jolijt van de toeschouwers - moesten aantrekken).

Het meest in trek op de kermissen waren de pure snelheidskoersen. Die werden in het begin "stratekoersen" genoemd, omdat het vaak kleinschalige, geïmproviseerde kermiskoersen betrof met een parcours van rondjes rondom de kertoren, over een afstand van zo'n 10 kilometers. De deelnemers reden soms in slechts één straat heen en weer, en moesten aan beide uiteinden van het traject rond een bierton omdraaien.

"Voor de stratekoersen maakte de bevolking zich enkele uren vrij van de greep van de aarde en de dwang van de arbeid. Ze waren een succes omdat ze een trouwe afspiegeling waren van dit volk en dit land. In de primitieve, smalle stenen dorpswegen en de ongelijke zandpaadjes op het land toonde zich het arme, harde land en, overdrachtelijk gezien, het arme, harde volk ...In de stratekoersen herkende men het folkloristisch voortleven van de oude volksspelen" (Jaak Veltman).

Wie nam er deel aan de stratekoersen? Letterlijk iedereen die met een fiets kon rijden mocht meedoen. Bijna alle wedstrijden droegen de onverstoorbare titel: "voor alle coureurs!". Die amateuristische stratekoersen oefenden een enorme zuigkracht uit op jongeren uit de omgeving die beschikten over een koersfiets. Jonge mannen uit de 'lagere' sociale milieus, die gewend waren aan zware lichamelijke arbeid op het veld of in de fabriek, zagen in de koers immers een kans om te ontsnappen aan de armoede, omhoog te klimmen op de sociale ladder en eventueel de overstap te maken naar de professionele wielersport.

"De stratekoersen vormden een leerschool, de enige, voor vele jonge Vlaamse renners, zoals Cyriel Vanhauwaert, Jules Messelis, Odiel Defraeye, ... want ze konden ervaring opdoen en taai leren zijn. De stratekoersen waren de smisse waarin de brute macht onzer sportjeugd gelouterd en gezuiverd werd!" (Karel van Wijnendaele, Het Rijke Vlaamsche Wielerleven, 1923).

Cyriel Vanhauwaert en Juul Messelis die hun wielercarrière startten als stratencoureurs (Bron: Wikimedia).
Cyriel Vanhauwaert en Juul Messelis. Zij startten hun internationale wielercarrière als "stratecoureurs" bij ons.
Foto van ca. 1910 (Bron: Wikimedia).

Linda Malfait: "Veel latere wielerkampioenen verdienden hun eerste sporen in de stratekoersen. Het grote voorbeeld was Cyriel Vanhauwaert. Hij werd geboren in 1883 in een bescheiden landbouwersgezin op onze Tuimelarewijk, in een klein landelijk huisje aan de Oude Heirweg. Als eenvoudige boerenknecht kreeg Cyriel op zijn 20ste, in 1903, de toestemming van zijn vader om met zijn zuurverdiend spaargeld een felbegeerde koersfiets te kopen. Een smid in Slyps maakte er een voor 200 fr., die ruim 15 kg woog! Daarmee begon Cyriel in zijn vrije tijd veel te trainen en steeds langere fietstochten te maken doorheen het West-Vlaams platteland. Zo raakte hij bevriend met de beste straatkoerser van de omgeving, Fons Seys, een schoenmaker uit het naburig dorp Beitem. In het voorjaar van 1904 debuteerde Vanhauwaert in zijn allereerste heuse (strate)koers in Beitem ...en won!".

De lokale cafébazen speelden een cruciale rol bij de organisatie van de stratekoersen, zonder enige inmenging van de overheid. Ze deden er alles aan om een goede omzet te draaien tijdens de kermissen, die heuse hoogdagen waren voor hen.

"Ik zeg dat de cafébazen de echte pioniers van het wielrennen zijn geweest. Het waren meestal zij die zo'n stratekoersen organiseerden. Ze lieten coureurs van café naar café fietsen. Al stonden sommigen met een grote klakke op hun kop meer pinten te drinken dan ronden te tellen. 't Was zelfs soms zo erg dat er achteraf dikwijls discussie was, over het juist aantal rondekes dat was afgelegd. Ze waren de tel kwijtgeraakt. Het was allemaal niet officiëel georganiseerd. Wij stonden daar als een bende wilde jongemannen aan de start, zonder verzekering, met slecht materiaal maar met veel goesting. Goesting om te winnen, goesting om een cent te verdienen" (De latere bekende flandrien Briek Schotte).

Niet enkel de uitbater van de plaatselijke herberg nam de organisatie op zich van de stratekoersen. Ook de plaatselijke middenstand, invloedrijke plaatselijke ondernemers (vooral de brouwer en de fietsenmaker), steunden de stratekoersen in de vorm van sponsoring en prijzengeld. Zij zagen in de koers een ideale manier om volk naar hun zaak te trekken. Veelal gaf ook de plaatselijke overheid financiële steun aan wielerkoersen om het kiezerspubliek gunstig te stemmen. Cyriel Vanhauwaert zei later in een interview: "Hadden de burgemeesters de koersen in de kermisdagen afgeschaft, het volk had de burgemeesters zelf ongenadig afgeschaft".

Opgang en teloorgang van de kermiskoersen

Een wielerwedstrijd in de vorige eeuw. Liebig-reclameplaatje.
Een wielerwedstrijd in de vorige eeuw. Liebig-reclameplaatje.

1907 was een scharnierjaar in de ontstaansgeschiedenis van het wielrennen bij ons. Het rennerskorps binnen het circuit van stratekoersen splitste zich in tweeën:

  1. enkele dappere Vlaamse kermiscoureurs, die vedetten waren in eigen streek, riskeerden de sprong naar een bestaan als beroepsrenner, door mee te doen met grote internationale wielerwedstrijden. Ze vonden plaatselijke roem onder de kerktoren niet bevredigend. Bij hen groeide het besef dat, door hard labeur en een onverzettelijke wilskracht, ze een schamel bestaan konden ontstijgen, veel successen vergaren en ...veel geld verdienen, een veelvoud van wat ze konden krijgen bij stratenkoersen. Onze Cyriel Vanhauwaert was zo'n wielerheld die vanaf 1905 zijn kans waagde in het internationaal profwielrennen in het buurland Frankrijk. Hij was het symbool van de kleine man, de eenvoudige boerenknecht, die met eigen middelen en op eigen kracht, zonder hulp van buitenaf, de hoogste toppen van wereldfaam in het wielrennen bereikte.

  2. de velen die bleven rijden in de kermiskoersen. Deze plaatselijke wielerwedstrijden kregen een steeds serieuzer en professioneler karakter. Stratekoersen werd meer en meer een georganiseerd beroep, een vak, met zijn geheimen, aparte wetten en voorschriften. In de loop van de jaren twintig werden steeds meer koersen georganiseerd die zich uitdrukkelijk richtten op de echte profrenners. In 1928 waren er 46 van die wedstrijden, in 1932 al meer dan 100. Een groeiend profpeloton voelde zich zo uitermate thuis op de kermiskoersen omdat er geld te rapen viel, de prijzenpot groot werd en de goede renners er konden van leven.

Koolskamp Koers in de jaren 1930. Het zag zwart van het volk. Je kon er letterlijk over de koppen/klakken lopen (Bron. Roeselare, KOERS).
Koolskamp Koers in de jaren 1930. Het zag zwart van het volk. Je kon er letterlijk over de koppen/klakken lopen
(Bron: Roeselare, Wielermuseum, coll. KOERS).

Vanaf WO II (1940-1945) was de populariteit van kermiskoersen niet te stuiten. Er ging geen zondag voorbij zonder dat een aantal dorpen en wijken hun kermis opluisterden met een velokoers, zo ook in onze Tuimelarewijk. De voorbije 25 jaar is het aantal kermiskoersen echter sterk afgenomen. In 2007 waren er nog 538 kermiskoersen in héél Vlaanderen, in 2017 was dat aantal herleid tot 406, een daling dus van 132 wedstrijden, bijna 1 op 4! In 2026 bleven er van een ooit goed gevulde wielerkalender nog amper 19 kermiskoersen over. De kermiskoersen en ook de kermissen zélf lijken wel ten dode opgeschreven. Hiervoor zijn een aantal oorzaken, die ook van toepassing zijn op de kermiskoers en zelfs de kermis zélf van de Tuimelare:

Wieleridool Eddy Merckx, winnaar van het na-Tour Criterium De avond van Vlaanderen te Moorslede in 1970 (Bron: Roeselare, wielermuseum, coll. KOERS).
Wieleridool Eddy Merckx, winnaar van het na-Tour Criterium "De Avond van Vlaanderen" te Moorslede in 1970
(Bron: Roeselare, Wielermuseum, coll. KOERS).

  • de ongenadige concurrentie van internationale wedstrijden. In de jaren 1970 stonden bijv. Eddy Merckx en andere wielerhelden nog meermaals aan de start van het na-Tourcriterium "De Avonden van Vlaanderen" in Moorslede. Maar sportdirecteuren van wielerploegen vinden het nu belangrijker dat hun renners in het buitenland rijden.
  • De concurrentie van TV. Vele belangrijke wedstrijden kan men nu live thuis bekijken vanuit de luie zetel, de hele wedstrijd lang, als het ware van op de eerste rij.
  • Nu moeten de kermiskoersen het met veel minder toeschouwers stellen. Vooral het jongere publiek blijft weg !
  • De steeds hogere kosten (zo’n 2500 euro) voor het organiseren van een plaatselijke wedstrijd, terwijl belastingdruk toeneemt, de reglementering verstrengt en het beschikbare budget krimpt.
  • Het wordt steeds moeilijker om sponsors (o.m. plaatselijke neringdoeners) te vinden.
  • Veel gemeentebesturen staan niet meer te springen om wedstrijden toe te laten of te subsidiëren. Koers was vroeger sympathiek, nu zorgt die in hun ogen vooral voor overlast.
  • Het verdwijnen van de herbergen. Dus ook van de herbergiers, die een sleutelrol speelden bij de organisatie van een kermiskoers.
  • Het ontbreken van vrijwilligers. In veel koerscomités bedraagt de gemiddelde leeftijd 60 tot 70 jaar. Er zijn meer jonge mensen nodig.

Tuimelare kermis in deze tijd

De West-Vlaamse wielervedetten Valère Ollivier en Patrick Sercu in 1945, die als beginnelingen ooit debuteerden bij de koers van Tuimelare Kermis (Bron. Roeselare, KOERS).
De West-Vlaamse wielervedetten Valère Ollivier (l.) en Patrick Sercu (r.) in 1945, die als beginnelingen ooit
debuteerden bij de koers van Tuimelarekermis (Bron: Roeselare, Wielermuseum, coll. KOERS).

De geschiedenis van kermissen in het algemeen en van wijkkermissen in het bijzonder vertoonde in de 20ste eeuw een golfbeweging van bloei en verval. Hoeveel wijkkermissen er in de loop der tijden op de Tuimelare al zijn geweest zijn is moeilijk te achterhalen. Vast staat dat de door ons gekende kermis op de Tuimelare traditiegetrouw altijd werd gehouden tijdens het laatste weekend van april. De organisatie ging uit van de uitbater van de herberg "De Tuimelare", tot deze dichtging in 1955. Tuimelarekermis was altijd het hoogtepunt van het jaar, een volksfeest dat de hele buurt samenbracht met volksspelen, optredens en - tot in de jaren 1980 - een kermiskoers als publiekstrekker.

De Tuimelare was eertijds een kweekvijver voor wielertalent. Latere kleppers op de fiets verschenen hier aan de start en reden, met hun trui van onderbeginneling of beginneling, hun eerste koers.

  • Cyriel Vanhauwaert, die geboren werd aan de Oude Heirweg in onze wijk. Hij nam deel aan straatkoersen in onze buurt en oogste later wereldfaam met zijn overwinningen in de grote Franse wielerklassiekers.
  • De gebroeders Georges, Frans en vooral Maurice Desimpelaere. Deze laatste won Parijs-Roubaix in 1944 en Gent-Wevelgem in 1947.
  • Valère Ollivier uit Roeselare, de "koning van de kermiskoersen".
  • Albert Sercu, de vader van de succesrijke pisterenner Patrick Sercu.
  • Maurice Blomme, later een sterke tijdrijder en winnaar van het Kampioenschap van Vlaanderen.
  • Gilbert Desmet, die als prof een lange erelijst bijeenreed van 101 overwinningen, waaronder 3 klassiekers, 5 semiklassiekers en 3 rittenwedstrijden.
  • Adhemar De Blaere, die in 1953 brons behaalde op het Belgisch kampioenschap voor liefhebbers, achter Rik van Looy en Emiel Van Cauter.

De Blauwe Tornado's, sinds 2022 de organisatoren van de Tuymelaere Classic (Bron: Krant van West-Vlaanderen).
De Blauwe Tornado's, sinds 2022 de organisatoren van de "Tuymelaere Classic" (Bron: Krant van West-Vlaanderen).

In augustus 2022 werd, voor het eerste in 30 jaar, aangesloten bij de kermiskoersen van weleer. De plaatselijke wielerclub "De Blauwe Tornado’s" organiseerde een wielerevenement "Tuymelaere Classic" met de Tuimelarewijk als decor. De start en finish vond plaats rond een gezellige zomerbar langs de Oude Heirweg. Anna Grymonprez, de laatste waardin van de herberg "den Tuimelare" die dat jaar haar 100ste verjaardag haalde, werd uitgenodigd om - zoals vroeger - de bloemen te overhandigen aan de winnaars. Als "het oudste bloemenmeisje van het land" haalde Anna de krantenkoppen en het nieuws van VRT en WTV! "Net zoals mijn twee broers was ik een wielerliefhebber. Toen er gekoerst werd mocht ik telkens de bloemen overhandigen aan de winnaar en de gebruikelijke kussen geven (A. Grymonprez). Ter gelegenheid van de 2de editie van "Tuymelaere Classic" in 2023 werd "Anna van den Tuimelare" opnieuw aangezocht om een boeket bloemen uit te reiken aan de winnaars. Kort na de 3de editie van "Tuymelaere Classic" in 2024 overleed ze.

De jaarlijkse editie van 2025 was speciaal, want De Blauwe Tornado's hadden toen de eer om het Belgisch Kampioenschap van de Landelijke Wielrijders Unie (LWU) te organiseren. Voor de editie van 2026 van "Tuymelare Classic" staan verscheidene wedstrijden op het programma, zowel voor heren als voor dames, opnieuw onder auspiciën van de Landelijke Wieler Unie (LWU).

Tot in 2011 was er een jaarlijkse Tuimelare kermis (De gebruikelijke kermiskoers op zondag was al sedert de jaren 1980 verdwenen!). Die verliep als volgt: op vrijdagavond om 18.30u een prijskaarting (ook wel "worstenkaarting" genoemd); op zaterdag om 17.00 u een mis in de parochiekerk van Beitem met aansluitend een aperitiefconcert van de Moorsleedse Muziekharmonie; vanaf 19.00u, al dan niet in een grote feesttent, een Bruegheliaans etentje met dansgelegenheid tot in de nachtelijke uurtjes. De senioren in de Tuimelarewijk werden niet vergeten. Ze werden tijdens een jaarlijkse rondgang aan huis bezocht. Hun aantal variëerde tussen 30 à 40. De vrouwen van 80 jaar en meer kregen een boeket bloemen, de 80-plussers bij de mannen een fles wijn.

In 2011 was Tuymelaere kermis aan haar 39ste en tegelijk laatste editie toe. Ook de jaarlijkse rondgang stopte. Hoe kwam dat? Het waren dezelfde oorzaken als voor de hierboven vermelde kermiskoersen, o.m. het opdrogen van de financiële middelen (het wegvallen van sponsors en van gemeentelijke subsidies). Dat de vertrouwelijke sfeer van de inwoners onder mekaar gaandeweg wat verloren ging omwille van het toenemend aantal niet-Tuimelarenaars op het feest speelde hierbij ongetwijfeld een rol.

De Dag van de Buren (2026), de huidige invulling van Tuimelare Kermis (Foto: Jan Stragier).
"De Dag van de Buren" (29 mei 2026), de huidige invulling van Tuimelare Kermis - 14de editie
(Foto: KW - Jan Stragier).

Maar al het jaar daarop, in 2012, ging de Tuimelarekermis naadloos over in een jaarlijks terugkerende "Dag van de Buren", een informeel gezellig onderonsje "met een natje (= drank) en een droogje (= hapje, voedsel)" voor alle bewoners van de volgende straten: de Oude Heirweg (vanaf Ten Bunderen tot Peter Sinnesael, de laatste bewoners vóór de Schouthoek); de Tuymelaerevoetweg (een zijstraatje van de Oude Heirweg) en de Knaagreepstraat (vanaf huis nr 10 tot de hoek met de Oude Heirweg ). Het geheel is in handen van een zeer actief bestuur, bestaande uit volgende koppels: Marnick Dewulf en Rita Baert, Elke Dewulf en Gert-Jan Hovaere, Lore Deceuninck en Dries Dezitter, Tania Bouttelisier en Bjorn Tytgat, Ellen Goddeeris en Maarten Vermeulen en - tot vóór enkele jaren - Ann Vandeputte en Geert Goddeeris. Om de lasten te verdelen is er een beurtrolregeling, waarbij de deelnemende gezinnen mekaar afwisselen als gastvrouw/gastheer.

    © Copyright Linda Malfait 2022-. Alle rechten voorbehouden.        Websitebeheerder: Willem Wylin.